Kleurwaarneming, cultuur en taal

Waren de Grieken kleurenblind?

‘En jaloers nu op mij, gij goden, omdat ik bevriend ben met een man die ik redde toen hij alleen op de kiel stond, toen Zeus zijn snelle schip met een felle bliksemstraal had opgeblazen en verbrijzeld, op de wijndonkere zee.’ – Homeros, Odyssee, Boek V 

‘Wijndonkere zee’ is de vertaling van het Oudgriekse ‘oînops póntos’. Een letterlijke vertaling is ‘wijngezichtszee’ (wijngezicht, wijnoog). Homeros gebruikt deze term tot vijf keer in de Ilias en twaalf keer in de Odyssee om de ruwe stormachtige zee te beschrijven. Die woordkeuze om de kleur van de zee te beschrijven gaf aanleiding tot de wildste speculaties. 

Waren de oude Grieken kleurenblind, zoals de Engelse auteur William Gladstone meende in zijn boek Studies on Homer and the Homeric Age (1858)? Homeros gebruikte de kleur ‘oînops’ ook om de vacht van ossen te beschrijven. Kleurde de Egeïsche Zee in Homeros’ tijd dan rood? Natuurlijk kunnen we de woordkeuze beschouwen als een allegorie of dichterlijke vrijheid. Maar één eigenaardig feit plaatst die woordkeuze in een totaal ander licht: het Oudgrieks kent geen woord voor de kleur ‘blauw’. 

Als je de teksten van Homeros leest, lijken ze te zijn geschreven onder invloed van LSD: schapen waren wijnkleurig, honing was groen en de lucht bronskleurig. Empedocles onderscheidde vier kleuren: wit of licht, donker of zwart, rood en geel. Volgens Xenophanes kan je in een regenboog drie kleuren onderscheiden: ‘porphyra’ (donkerpaars), ‘khloros’ en ‘erythros’ (rood). Het Oudgrieks was niet de enige taal waarin het woord ‘blauw’ ontbrak. 

In Het Nieuwe Testament komt de kleur ‘blauw’ niet één keer voor. Het oude Japans gebruikte hetzelfde woord om ‘blauw’ en ‘groen’ (青 Ao) te beschrijven en zelfs het moderne Japans kleurt bloeiende bomen in als ‘zeer blauw’. Het bedenken van woorden voor kleuren lijkt in alle culturen in dezelfde volgorde te gebeuren, overeenkomstig de frequentie waarmee die kleuren voorkomen in de natuur: rood, oker, groen, paars, geel en uiteindelijk blauw. Immers, groen en bruin zijn in de natuur alomtegenwoordig, rood komt vrij vaak voor, maar blauw en paars zijn eerder zeldzaam.

Kleuren Nam de prehistorische mens de wereld dan waar in zwart-wit alsof je door een fotoalbum met zwart-witfoto’s zou bladeren? Jason Antic is een onderzoeker naar ‘deep learning’-technieken uit San Diego. Hij ontwikkelde het DeOldify-algoritme, waarin hij met behulp van kunstmatige intelligentie zwart-witbeelden (zowel films als foto’s) kan inkleuren. Het algoritme bekijkt elke pixel in de afbeelding en probeert in te schatten of te ‘voorspellen’ wat de originele kleur was. Ook hij ging er bij de ontwikkeling van zijn algoritme vanuit dat bruin de meest gemiddelde kleur is: 

 â€˜De meest voor de hand liggende (en verkeerde!) manier om te evalueren of het neurale netwerk een goed beeld creëert is door pixels direct te vergelijken (…) naargelang hoe verschillend ze zijn. Dit moedigt het neurale netwerk alleen maar aan om heel conservatief te zijn in zijn voorspellingen: Groen voor gras/bomen (dat is makkelijk!), blauw voor luchten (makkelijk!), huid voor… huid (makkelijk!)… en dan bruin voor al het andere dat het gewoon niet zeker weet. Bruin is numeriek een zeer gemiddelde kleur, dus het is een goede gok als je netwerk wordt aangemoedigd om afwijkingen van verwachte pixelwaarden te minimaliseren.’ 

Dit betekent echter geenszins dat de mensen in deze vroege culturen de golflengte van groen in het elektromagnetisch spectrum niet konden waarnemen. Het begrip ‘groen’ komt overeen met de golflengtes tussen 520 en 570 nanometer in het elektromagnetisch spectrum, blauw-groen zit in het bereik 450-530 en groen-geel ligt tussen 530 en 590 nanometer. De kleuren vormen met andere woorden een overgangsgebied in het elektromagnetisch spectrum en geen strikt gescheiden of ver uit elkaar gelegen zones. 

In veel talen zijn de woorden voor ‘blauw’ en ‘groen’ dan ook gecolexificeerd, uitgedrukt met één porte-manteauwoord of omslagterm. Homeros gebruikte geen afzonderlijke kleur, omdat het woord eenvoudigweg nog niet bestond. Als we ergens echter geen woord voor hebben, dan kan je ook stellen dat het in onze constructie van het ‘universum’ eveneens niet bestaat. Bovendien halen de fotoreceptoren in onze ogen heel wat ‘trucjes’ uit met onze perceptie van de kleuren in onze omgeving. 

Als je een tijdlang naar een rode cirkel kijkt en vervolgens naar een witte achtergrond, zie je een groene cirkel of nabeeld (en omgekeerd). De lichtgevoelige kegelvormige cellen in onze ogen stoppen met vuren als ze lang genoeg worden gebombardeerd met eenzelfde stimulus. Wanneer het netvlies vervolgens wordt blootgesteld aan wit licht (witte achtergrond in dit voorbeeld) kunnen de rode kegeltjes gedurende korte tijd geen signalen meer sturen naar de hersenen. De groene kegeltjes zijn op dat moment nog niet vermoeid, zodat de ganglioncellen, die groen licht ontvangen, boodschappen sturen via het rood-groene kanaal. De hersenen ontvangen nu alleen een groen signaal. Om het rood-groene kanaal een ‘wit’ signaal te geven, moet het signalen ontvangen van zowel rood als groen, die elkaar dan ‘opheffen’. 

De test toont aan hoe makkelijk het menselijk gezichtsvermogen kan worden ‘verschoven’ (of bedrogen zoals je wil). Onze hersenen zijn motoren voor patroonherkenning, gericht op het identificeren van dingen die nuttig voor ons zijn. Ze filteren de rest van de waarneming weg als betekenisloze ruis. Mensen zijn zich vaak niet bewust van bepaalde visuele prikkels wanneer ze zich concentreren op specifieke onderdelen in hun waarneming. Ze kunnen bepaalde ongewone gebeurtenissen zelfs missen wanneer ze zich op een bepaalde taak concentreren. 

De selectieve aandachttest

De beroemde selectieve aandachttest van dr. Daniel Simons maakt dit duidelijk. Een testpersoon kijkt naar een video met zes mensen die basketballen. De testpersoon krijgt de opdracht het aantal passes van de in het wit geklede mensen te tellen. Na het bekijken van de film blijkt de testpersoon niet te hebben ‘gezien’ dat er eveneens een persoon verkleed als gorilla door het beeld liep. Dit alles wijst erop dat Homeros en zijn tijdgenoten de hemel daadwerkelijk waarnamen als bronskleurig en de zee als rood. Omdat het begrip ‘blauw’ niet voorkwam in zijn taal, was het voor hen ook onbestaand. Onze cognitieve perceptie van de wereld kan dus worden beperkt door onze taal. Dit linguïstisch relativisme zou verklaren waarom verschillende culturen moeite hebben om informatie te onthouden over voorwerpen of concepten waarvoor ze geen woorden hebben. Ze beschikken simpelweg niet over begrippen om die te identificeren. Samengevat: als we er geen woord voor hebben, dan vertonen we de neiging om het niet waar te nemen en te vergeten.

Volgende pagina