Basisbesturing: BIOS, UEFI, firmware en bootloader
Firmware
Meestal koop je een toestel met een kant-en-klaar geïnstalleerd besturingssysteem. Een PC of laptop komt met Windows, een Applecomputer met Mac OS X. Bij tablets of smartphones stellen we ons nog minder vragen: een iPad of iPhone komt met iOS, een andere tablet of smartphone met Android. Als je een desktopcomputer zelf samenstelt, moet je het besturingssysteem zelf nog installeren. Toch toont zo'n OS-loze computer ook de nodige output als je hem opstart. Bij het opstarten kan je één of een desktop of laptop een of andere andere functietoets indrukken om in een setup- of bootscherm terecht te komen. Hetzelfde geldt wanneer je voor de eerste keer een Raspberry Pi aan je televisiescherm koppelt. Wat je op dat moment te zien krijgt is de firmware. De firmware is een interface die zich als een dun schilletje over de hardware heen legt. Het vormt dus geen onderdeel van het besturingssysteem zelf.
Bios en EUFI
Het doel van dit firmwareprogramma is te controleren of alles ok is met de hardware. Zo'n beetje als de conciërge van een winkel of school die 's morgens de deuren opent en alles nog eens controleert om te zien of zich nergens problemen hebben voorgedaan. Op die manier controleert de firmware of de processor, het geheugen, de schijfstations en poorten geen fouten vertonen. Op een Mac heet deze firmware UEFI (Unified Extensible Firmware Interface). Op een Windowstoestel sprak men lange tijd steevast over het BIOS (Basic Input Output System). Na de firmware laat standaard de bootloader die op zoek gaat naar beschikbare besturingssystemen (op de harde schijf, in een schijfstation, op een USB-stick).
Op de meeste systemen is slechts één besturingssysteem aanwezig, vindt de bootloader er meerdere, dan laat hij de gebruiker de keuze welk systeem hij wil opstarten.